De Verplichting om de Nederzettingenbouw niet te Steunen

Het rapport van François Dubuisson, professor internationaal recht aan de Université Libre de Bruxelles, getiteld “De internationale verplichtingen van de EU en haar lidstaten betreffende de economische relaties met de Israëlische nederzettingen” van februari 2014 stelt dat op staten de verantwoordelijkheid rust om geen bijdrage te leveren aan de bloei van de nederzettingen. Via een nauwkeurige analyse van het internationaal recht, legt dit rapport op heldere en onweerlegbare wijze drie verplichtingen voor derde staten vast. Derde staten moeten alle economische relaties met Israëlische instellingen verbreken indien die relaties bijdragen tot het instandhouden of de erkenning van de illegale situatie van de bezetting.

1. Het internationaal humanitair recht doen respecteren

De eerste verplichting is verwoord in het eerste artikel van de Vierde Conventie van Genève van 1949. De ondertekenende staten moeten het internationaal humanitair recht “doen respecteren”. Concreet moeten de Europese Unie en haar lidstaten de nodige maatregelen nemen zodat Israël het verbod op nederzettingen zou respecteren. De toepassing van deze verplichting moet zich specifiek vertalen in het verbieden van de invoer van producten uit de nederzettingen. Professor Dubuisson toont aan dat het beëindigen van de schendingen verbonden met de nederzettingen niet compatibel is met handel met deze illegale entiteiten. Dergelijke handel draagt immers bij tot hun economische bloei.

2. Een illegale situatie niet als wettelijk erkennen

Deze gewoonterechtelijke regel van het internationaal recht werd herbevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof. Hij stelt niet alleen een verbod in op de erkenning van een illegale situatie, maar ook een verbod op het stellen van daden die tot een dergelijke erkenning bijdragen. Uit deze regelt vloeit voort dat de EU en haar lidstaten geen economische relaties met Israël mogen ontwikkelen waarbij Israëls bevoegdheid over de Palestijnse gebieden zou worden erkend of waarbij er juridische effecten zouden worden gegeven aan activiteiten in nederzettingen. De EU paste deze verplichting in het verleden niet altijd rigoureus toe. Door toenemende druk van het maatschappelijke middenveld houdt de EU meer en meer rekening met deze verplichting. In juli 2013 zette de Europese Commissie een belangrijke stap. Ze vaardigde richtsnoeren uit om “het respect te garanderen voor de posities en de engagementen van de EU onder het internationaal recht met betrekking tot de niet-erkenning door de Unie van Israëls soevereiniteit over de gebieden die dit land sinds juni 1967 bezet”. Concreet engageert de EU zich er via deze richtsnoeren toe om de nederzettingen uit te sluiten van “prijzen, financiële instrumenten of subsidies” gefinancierd door de EU. De toepassing van deze richtsnoeren zal geïnterpreteerd en geëvalueerd moeten worden aan de hand van deze verplichting tot niet-erkenning.

3. Geen hulp of assistentie verlenen aan de instandhouding van een illegale situatie

De verplichting om geen hulp of assistentie te geven, focust op handelingen die de verantwoordelijke staat helpen bij de voortzetting van een situatie die het internationaal recht schendt. Vóór de herbevestiging ervan in het advies van het IGH over de Muur, verscheen deze verplichting al in een resolutie van de VN-Veiligheidsraad in maart 1980. Die resolutie vraagt dat “staten geen enkele hulp aan Israël verlenen die specifiek gebruikt zal worden voor de nederzettingen in de bezette gebieden”. Volgens professor Dubuisson “dragen de lidstaten van de EU door het toelaten van de invoer en de handel in nederzettingsproducten op hun grondgebied onmiskenbaar bij tot de economische welvaart van die nederzettingen. Hierdoor verlenen ze “hulp of assistentie” aan de voortzetting van een illegale situatie die voortvloeit uit Israëls nederzettingenbeleid.” De toepassing van de verplichting om geen hulp of assistentie te geven, houdt in dat de EU en EU-lidstaten geen commerciële banden met de nederzettingen meer onderhouden.

Het is zonneklaar dat de invoer en de commercialisering van nederzettingsproducten door de EU-lidstaten bijdragen tot de economische welvaart van de nederzettingen en dat ze op die manier hulp en/of assistentie verlenen aan het voortzetten van de illegale situatie die voortvloeit uit het nederzettingenbeleid.


Steeds meer verplichtingen die in acht worden genomen

Met de richtsnoeren die Israëlische instellingen gevestigd in de nederzettingen en hun activiteiten uitsluiten van Europese financiering, toonde de EU dat ze zich bewust is van haar verplichtingen onder het internationaal en Europees recht. Dit is duidelijk een stap in de goede richting. Toch is dit ontoereikend in het licht van de maatregelen die nodig zijn om het Israëlische nederzettingenbeleid daadwerkelijk aan banden te leggen.

In Europa en elders, nemen landen nog bijkomende maatregelen om hun verplichtingen onder het inter- nationaal recht te respecteren. Noorwegen, Nieuw-Zeeland, Zweden en Nederland hebben recent Israëlische bedrijven die actief zijn in de nederzettingen uitgesloten uit hun publieke pensioenfondsen. Ze baseren zich voor deze beslissing op hun verplichtingen onder het internationaal recht.


Meer en meer Staten baseren zich op het Internationaal Recht om nationale actoren af te raden banden met de nederzettingen te ontwikkelen

- In 2011 kwam het Duitse ministerie tussenbeide om de spoorwegmaatschappij Deutsche Bahn te overtuigen zich terug te trekken uit het project van de bouw van een spoorlijn die de nederzettingen rondom Jeruzalem met Tel Aviv zou verbinden.

- In 2012 besliste de voorzitter van de universiteit van Roskilde in overeenstemming met het Deense ministerie van Buitenlandse Zaken om een onderzoeksproject met de universiteit van de nederzetting Ariel stop te zetten.

- In 2013 waarschuwde de Nederlandse regering het bedrijf Royal HaskoningDHV dat de samenwerking aan een project voor zuivering van afvalwater in nederzettingen in Oost-Jeruzalem zou indruisen tegen het internationaal recht. Het Nederlandse bedrijf zegde zijn samenwerking op en rechtvaardigde zijn beslissing op basis van het internationaal recht.